A
- APC automatische prijscompensatie
- APC staat voor automatische prijscompensatie – een vergoeding voor de werknemer van de geldontwaarding (inflatie). Dit betekent dat als de prijzen gemiddeld met 2% zijn gestegen, de lonen automatisch 2% meestijgen. De koopkracht van de consument wordt hiermee op peil gehouden.
- Arbeidsmarkt
- De arbeidsmarkt is een economische en sociologische benaming voor de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeidskrachten.
De vraag op de arbeidsmarkt komt van werkgevers en wordt bepaald door het aantal bezette banen en de open vacatures. Het aanbod op de arbeidsmarkt komt van de beroepsbevolking die hun arbeid aanbiedt.
- Armoedegrens
- De armoedegrens is gelijk aan het inkomen dat iemand nodig heeft om te kunnen voorzien in de basisbehoeften (kleding, drinkwater, voldoende voedsel, goede huisvesting, goede gezondheidszorg en onderwijs).
Bij een inkomen gelijk aan de armoedegrens gaat het inkomen geheel op aan deze noodzakelijke uitgaven. De armoedegrens in Nederland ligt op 1090 euro voor alleenstaande, 1660 euro voor eenoudergezin met twee minderjarige kinderen, 1530 euro voor een paar en 2080 euro voor een paar met twee minderjarige kinderen. Ruim één miljoen mensen in Nederland leven onder de armoedegrens.
- afgeleide consumentenprijsindex (CPI)
- Consumentenprijsindex waarin het effect van veranderingen in de tarieven van productgebonden en consumptiegebonden belastingen en ook subsidies is verwijderd. Daarbij moet je bijvoorbeeld denken aan BTW, accijns op alcohol en motorrijtuigenbelasting.
B
- BBP
- Het bruto binnenlands product is de totale toegevoegde waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar). Meestal wordt met dit begrip het bruto binnenlands product tegen marktprijzen bedoeld.
het bruto binnenlands product gelijk aan de som van de consumptie door huishoudens, de consumptie door de overheid, de investeringen en de uitvoer, minus de invoer. Tevens is het bruto binnenlands product gelijk aan het totaal van alle inkomsten uit loonarbeid (de ‘beloning van werknemers’) en ondernemerschap (het exploitatie-overschot). Hierbij moet het saldo van ‘belastingen op productie en invoer’ en subsidies worden opgeteld.
- Brede welvaart
- Bij brede welvaart gaat het niet alleen om het vergroten van de (materiele) waarde, maar ook om het welzijn van mensen.
Denk daarbij aan zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. Daarbij ook rekening houdend met de mate waarin die invloed heeft op de kwaliteit van leven van toekomstige generaties en mensen ergens anders in de wereld.
- basisrente
- De basisrente is het rentetarief dat een centrale bank, zoals de ECB, commerciële banken in rekening brengt voor het lenen van geld. De basisrente wordt ook wel het basisrentetarief genoemd.
- beleidsrente Officiële rente/beleidsrente
- De rente die een centrale bank hanteert bij de leningen die ze uitleent en aantrekt aan of bij banken. Het is de belangrijkste rente van de economie en de marktrentes zijn afhankelijk van deze rente.
- biflatie
- Biflatie is het gelijktijdig optreden van inflatie en deflatie in verschillende segmenten van de economie. Zo kan de prijs van grondstof gerelateerde producten (o.a. voedsel) stijgen, terwijl de prijs van schuld gerelateerde producten (vastgoed) daalt.
C
- CAO loonindex
- De CAO loonindex wordt uitgedrukt als een stijgingsfactor ten opzichte van het loonniveau in een referentiejaar.
Bij loonindexering is er sprake van een koppeling van de lonen aan de prijsontwikkeling, waardoor de koopkracht van de werknemers gelijk blijft.
- Cantillon effect
- Het Cantillon effect beschrijft het ongelijkmatige effect van het monetaire beleid op de economie, zit je dicht op de geldpers, dan profiteer je het meest.
Bij monetaire verruiming kunnen financiële instellingen, banken en grote bedrijven gemakkelijk leningen krijgen en meer investeren of beleggen. De prijzen nemen vervolgens toe, terwijl kleine bedrijven en consumenten het nieuwe geld nog niet in handen hebben gekregen, hun koopkracht kan ondanks het grotere geldaanbod zelfs afnemen.
- chartaal geld
- Ook cash of contant geld genoemd, is het tastbare geld (munten en biljetten) in handen van het publiek.
- consumentenvertrouwen
- Het consumentenvertrouwen geeft informatie over het vertrouwen en opvattingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkelingen van de Nederlandse economie en hun eigen financiële situatie.
Het CBS publiceert elke maand het voor seizoen gecorrigeerde consumentenvertrouwen. Hiervoor vragen ze consumenten naar hun oordeel over hun huidige financiële situatie en hun financiële situatie in de komende 12 maanden
D
- desinflatie
- Bij desinflatie is er sprake van een structureel dalende trend in het inflatiecijfer. Het algemeen prijspeil stijgt nog altijd (i.t.t. deflatie waarbij het prijspeil daalt), maar de stijging is afgezwakt en verloopt langzamer dan voorheen.
E
- elastische vraag
- De vraag naar een product is elastisch als een een prijsverandering leidt tot een grotere verandering in de vraag naar hetzelfde product. Als bijvoorbeeld de prijs met één procent stijgt, dan daalt de gevraagde hoeveelheid met meer dan één procent.
F
- Fractioneel bankieren
- Bij fractioneel bankieren houden commerciële banken slechts een deel van de hun toevertrouwde middelen in direct beschikbare vorm aan, het overgrote deel van de middelen wordt uitgeleend. Er is dus slechts een fractie van het uitgeleende geld gedekt.
Het voordeel van fractionele-reservebankieren is dat banken hierdoor inkomsten kunnen genereren met de gestorte fondsen.
Het alternatief voor fractioneel bankieren is full-reserve bankieren, waarbij een bank alle deposito’s bij de hand moet kunnen hebben.
G
- Geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP)
- Om de inflatie tussen landen te kunnen vergelijken, berekenen de lidstaten van de Europese Unie een consumentenprijsindex volgens internationaal afgesproken definities en methoden; de Europees geharmoniseerde index van consumentenprijzen (HICP). In Nederland wordt deze, naast het CPI, door het CBS gepubliceerd.
Het belangrijkste verschil tussen de CPI en de HICP voor Nederland is dat de HICP in tegenstelling tot de CPI geen rekening houdt met de kosten van het wonen in de eigen woning. Deze kosten tellen voor ongeveer 15 procent mee in de weging van de CPI. De Europese Centrale Bank gebruikt de HICP voor het monetaire beleid in de eurozone.
- Geldhoeveelheid
- De geldhoeveelheid of geldvoorraad is de totale hoeveelheid geld die op enig moment binnen een economie of monetaire zone in omloop is.
De geldhoeveelheid is te verdelen in diverse aggregaten, elk aangeduid met de letter M (money supply). M3 is hierbij de belangrijkste geldhoeveelheid voor de bepaling van de geldgroei.
- Geldhoeveelheid M0
- monetaire basis of basisgeld; de totale hoeveelheid chartaal geld (munten en bankbiljetten) en reserves die banken aanhouden bij een centrale bank. In moderne monetaire stelsels schept alleen de centrale bank basisgeld.
- Geldhoeveelheid M1
- De in omloop zijnde bankbiljetten en munten en tegoeden die onmiddellijk in contanten kunnen worden omgewisseld of die kunnen worden gebruikt voor girale betalingen. Het direct opvraagbare spaargeld op spaarrekeningen valt hier ook onder.
- Geldhoeveelheid M2
- M1 plus kortlopende deposito’s met een korte looptijd van minder dan 2 jaar of een opzegtermijn tot 3 maanden.
- Geldhoeveelheid M3
- Ruime geldhoeveelheid; M2 plus repo’s, aandelen in geldmarktfondsen en korte schuldbewijzen met een looptijd tot 2 jaar.
M1 en M2, ook repo’s, fondsaandelen op de geldmarkt en geldmarktinstrumenten omvat, zoals particuliere en openbare obligaties (schatkistpapier) die zijn uitgegeven met een looptijd tot twee jaar , termijndeposito’s en termijn terugkoopovereenkomsten.
- Geldneutraliteit
- De neutraliteit van geld is het idee dat veranderingen in de hoeveelheid geld alleen van invloed zijn op nominale economische variabelen (prijspeil) en niet op reële (zoals het reële inkomen en de werkgelegenheid).
Volgens de neutraliteit van geld zijn de geld- en goederensfeer volledig van elkaar zijn gescheiden. Een stijging van de geldhoeveelheid zal op de lange termijn niet leiden tot economische groei, maar enkel tot inflatie.
- Geïmporteerde inflatie
- Er is sprake van Geïmporteerde inflatie wanneer de prijsstijgingen worden veroorzaakt doordat de ingevoerde producten duurder worden (dit kan komen doordat de prijzen in het buitenland zijn verhoogd of doordat de eigen munt minder waard is geworden t.o.v. de valuta waarin wordt betaald).
- geldillusie
- Geldillusie is de neiging van mensen om over geld in nominale en niet in reële (voor inflatie gecorrigeerde) termen te denken. Men denkt dat ze na een loonsverhoging rijker zijn geworden, terwijl daarbij geen rekening wordt gehouden met de gestegen prijzen (inflatie), waardoor men er netto minder of niet op vooruit is gegaan.
H
- Hyperinflatie
- Bij hyperinflatie is er sprake van een zeer hoog inflatiepercentage van meer dan 50% per maand (extreme geldontwaarding). Over het algemeen komt hyperinflatie vaker voor in ontwikkelingslanden. Meestal wordt hyperinflatie veroorzaakt door een begrotingstekort die wordt gefinancierd door de geldhoeveelheid uit te breiden, dit zie je vooral tijdens een economische crisis en/of oorlogstijd. Er wordt dan (door de centrale bank) een grote hoeveelheid geld gecreëerd die niet in verhouding staan tot de daadwerkelijke economische groei van het betreffende land.
Bij snel stijgende prijzen geven mensen hun geld zo snel mogelijk uit, het geld wordt immers steeds minder waard. Dit leidt tot extra vraag, waardoor de prijzen nog sterker zullen stijgen en zodoende een vicieuze cirkel van stijgende prijzen (inflatie) ontstaat.
I
- Inflatie (volgens de Oostenrijkse school)
- Inflatie is de toename van de geldhoeveelheid, prijsstijgingen zijn daarvan een gevolg.
- Interbancair
- De term Interbancair wordt gebruikt bij zaken die betrekking hebben op of plaatsvindend tussen banken onderling.
- inelastische vraag
- Bij een inelastische vraag resulteert een prijsverandering van een product in een relatief minder grote verandering naar vraag van hetzelfde product.
Als er sprake is van een volkomen inelastische vraag dan zal bij een prijsverandering, de gevraagde hoeveelheid gelijk blijven, de prijs heeft dan dus geen invloed op de vraag.
- inflatiecorrectie
- Het verlichten van de tarieven van loon- en inkomstenbelasting om de stijging van de gemiddelde belastingdruk, veroorzaakt door de inflatie, ongedaan te maken.
Door de prijscompensatie komt men met een groter deel van zijn inkomen in een hogere belastingschijf (hoger marginaal tarief) en zou men netto niet de gewenste compensatie ontvangen, de reële stijging blijft in dat geval achter bij de nominale.
Het doel van inflatiecorrectie is om de stijging van kosten door inflatie te compenseren.
- inflatieverwachting
- De verwachting over hoe de inflatie zich in de komende tijd gaat ontwikkelen.
J
- Jan Modaal
- Een algemene uitdrukking voor een werknemer met een modaal inkomen (het inkomen dat het vaakst voorkomt).
Jan Modaal speelt een belangrijke rol in sociaal-economische rekenmodellen. Wanneer het resultaat van het voorgenomen regeringsbeleid ongunstig uitpakt voor Jan Modaal, volgen in veel gevallen aanpassingen.
K
- Kosteninflatie
- Er is sprake van kosteninflatie wanneer een producent besluit de stijging van productiekosten door te berekenen in de verkoopprijs. Productiekosten kunnen stijgen doordat de prijzen van bijvoorbeeld grondstoffen, gas of loonkosten toenemen.
Deze vorm van inflatie wordt veroorzaakt door de aanbodzijde van de economie.
- kerninflatie
- Het inflatiecijfer waarbij geen rekening is gehouden met de prijzen van voeding en energie. (De prijzen hiervan kunnen namelijk sterk schommelen en een prijsdaling van deze producten zal over het algemeen niet tot meer afzet leiden).
- koopkracht
- De hoeveelheid goederen en diensten die met het besteedbaar inkomen kan worden aangeschaft.
Wanneer het inkomen van iemand gelijk blijft en de prijzen van goederen en diensten stijgen (inflatie), dan daalt de koopkracht van deze persoon.
Elk jaar wordt op Prinsjesdag, de derde dinsdag van september, bekend gemaakt hoe het ervoor staat met de ontwikkeling van de koopkracht voor het daaropvolgende jaar.
- koopkrachtreparatie
- Overheidsmaatregelen om de koopkracht van de burgers terug te brengen naar een beter peil.
- krappe arbeidsmarkt
- Als er veel vraag naar arbeid is (groot aantal vacatures), en weinig aanbod spreken we van een krappe arbeidsmarkt. Er zijn dan meer vacatures dan werkzoekenden.
- krimpflatie
- Het verschijnsel dat fabrikanten de inhoud van verpakkingen verkleinen terwijl de verkoopprijs van het artikel gelijk blijft. Fabrikanten verbergen hiermee de prijsstijgingen.
L
- Lastendruk
- Lastendruk is de mate waarin (belasting)heffingen drukken op op het besteedbaar inkomen. De collectieve lastendruk wordt vaak uitgedrukt als het totaal aan belasting- en premieopbrengsten als percentage van het bruto binnenlands product (bbp).
- Loonkosteninflatie
- Inflatie die wordt veroorzaakt doordat de lonen sterker stijgen dan de arbeidsproductiviteit. Dit betekent dat de loonkosten per product zullen toenemen, wat uiteindelijk in de prijzen zal worden doorberekend, zodat de prijzen zullen stijgen.
- loon-prijsspiraal
- Een loon-prijsspiraal kan ontstaan als gestegen loonkosten per product worden doorberekend in de prijzen, en de aldus ontstane hogere prijzen op hun beurt weer tot hogere looneisen leiden.
M
- Modaalinkomen
- Het modaal inkomen is een “referentie-inkomen” dat door het Nederlandse Centraal Planbureau gebruikt wordt om o.a. de maatschappelijke effecten van politieke beslissingen zoals belastingen op de meeste Nederlanders te bepalen. Het modaal inkomen is het meest voorkomende inkomen en moet niet verward worden met het gemiddelde inkomen.
Het CPB berekent het modale inkomen als 79% van het gemiddelde inkomen per arbeidsjaar, voor het jaar 2022 komt dat neer op €38.500 bruto.
- maand-op-maandmutatie CPI
- Waar de jaar-op-jaarmutatie prijzen vergelijkt met een jaar eerder, vergelijkt de maand-op-maandmutatie (m-o-m) de prijzen met een maand eerder. Standaard krijgt de m-o-m-inflatie minder aandacht omdat er gedurende het jaar een duidelijk seizoen patroon is (m-o-m inflatie is volatieler), met over het algemeen lagere prijzen aan het einde van het jaar.
- middeninkomen
- Het middeninkomen is het inkomen tussen de 30 procent laagste en de 30 procent hoogste inkomens. In Nederland ligt dat momenteel (2022) tussen de 35.000 en 70.000 bruto per jaar.
N
- Nominaal inkomen
- Nominaal inkomen is het inkomen dat je verdient in euro’s. Wanneer er ook rekening wordt gehouden met inflatie spreken we van het reëel inkomen. Het reëel inkomen geeft dus eigenlijk ook je koopkracht aan.
- Nominaal pensioen
- Een nominaal pensioen blijft na ingang van de uitkering gelijk en wordt dus niet geïndexeerd of verhoogd. Bij een nominaal pensioen weet de deelnemer vooraf wat hij of zij krijgt. Of dit pensioen op termijn genoeg is,
Het risico bij deze pensioenvorm is dat (door inflatie) de opgebouwde rechten op termijn in waarde dalen waarmee de koopkracht afneemt.
- neutrale rente (ook wel evenwichtsrente of natuurlijke rente)
- De neutrale rente is een “fictieve rente”, waarbij de centrale bank de economie niet in oververhitting duwt, maar ook niet in onderkoeling. De geldhoeveelheid is bij deze rente gelijk aan de vraag naar geld en de economie kan in een tempo groeien zonder inflatie te veroorzaken.
Bij een onderkoeling zal een centrale bank de beleidsrente onder de neutrale rente zetten om te stimuleren. Is er sprake van te hoge inflatie, dan moet de centrale bank de rente verhogen tot boven de neutrale rente om de vraag / inflatie af te remmen.
P
- PPI producentenprijsindex
- Indexcijfer dat de gemiddelde prijsontwikkeling weergeeft van Nederlandse industrieproducten.
De PPI meet de prijswijziging vanuit het standpunt van de verkoper. Wanneer de producenten meer betalen voor goederen en diensten, zijn ze geneigd om de hogere kosten op de consument te verhalen, zodat de PPI als een voorlopende indicator van de consumenteninflatie wordt beschouwd.
- Phillips curve
- De Phillips-curve is een economisch model, genoemd naar William Phillips die een verband veronderstelt tussen vermindering van de werkloosheid en hogere loonstijgingen binnen een economie.
De Phillipscurve is een economische theorie dat inflatie en werkloosheid een stabiele en omgekeerde relatie hebben. Het is ontwikkeld door William Phillips en beweert dat met economische groei inflatie gepaard gaat, wat op zijn beurt zou moeten leiden tot meer banen en minder werkloosheid.
- Phillipscurve
- De Phillipscurve is een curve die in een economie de korte termijnrelatie tussen inflatie en werkloosheid weergeeft. Lage inflatiecijfers zouden gepaard gaan met een hoog werkloosheidspeil, terwijl een lage werkloosheid alleen zou kunnen worden bereikt ten koste van hoge inflatie.
- Prijsstabiliteit
- Prijsstabiliteit is een situatie waarbij prijzen in een economie gedurende de tijd aan weinig verandering onderhevig zijn. De inflatie of deflatie zijn in deze situatie dus gering.
Zowel hoge inflatie als deflatie worden als negatief gezien, vandaar dat de centrale banken streven naar prijsstabiliteit.
Q
- QT (Quantitative Tightening)
- Kwantitatieve vernauwing is het tegenovergestelde van QE, de centrale bank verkoopt in dit geval activa op de markt. Doordat de obligaties op de balans van de centrale bank worden verkocht vermindert de geldhoeveelheid.
R
- Refirente (reporente)
- De refirente wordt ook wel herfinancieringsrente genoemd. De refirente is de rente die banken / financiële instellingen betalen aan de centrale bank wanneer zij daar geld opnemen.
- Reëel pensioen
- In een reëel pensioen contract staan de pensioenuitkering niet vast, het uitgangspunt is wel dat de koopkracht behouden blijft. Het pensioen beweegt binnen bepaalde grenzen mee met de levensverwachting en met de resultaten. Garanties zijn niet aan de orde: het pensioen is een reële afspiegeling van de financiële werkelijkheid.
- recessie
- Een recessie is een conjunctuurfase die gekenmerkt wordt door een terugval van de groei van economische activiteiten gedurende een periode van tenminste twee opeenvolgende kwartalen of langer.
- reëel inkomen
- Het reëel inkomen is het nominaal inkomen gecorrigeerd met inflatie. Het reëel inkomen geeft dus eigenlijk ook je koopkracht aan.
De verandering van het reëele inkomen kan je berekenen met de formule: RIC = NIC : PIC x 100.
RIC = reële indexcijfer
NIC = nominale indexcijfer
PIC = prijsindexcijfer (inflatie)
S
- stagflatie
- Er is sprake van stagflatie (een combinatie van stagnatie en inflatie) bij hoge inflatie in combinatie met een geringe economische groei.
T
- Taylor rule (regel van Taylor)
- De regel van Taylor is een model om het renteniveau van de centrale banken te bepalen dat nodig is om een economie op korte termijn te stabiliseren, terwijl de groei op lange termijn behouden blijft. Kortom; een evenwicht tussen inflatie en economische groei.
Het optimale renteniveau wordt berekend aan de hand van drie factoren.
*het verschil tussen de verwachte en de beoogde inflatie (jaar vooruitzicht).
*het verwachte BBP en de lange termijn trend.
*een neutrale korte rentevoet, in overeenstemming met volledige werkgelegenheid.
Zo zal volgens de regel van Taylor de centrale bank de rente moeten verhogen wanneer de inflatie boven de doelstelling ligt of wanneer de groei van het BBP te hoog en boven het potentieel is.
V
- Vermogenskloof
- Een relatief groot verschil in vermogen (totaal aan bezittingen – schulden) tussen verschillende groepen in de samenleving. In Nederland is een kwart van het totale vermogen in handen van 1% van de huishoudens.
- verkeersvergelijking van Fisher
- De Fishervergelijking is een in de monetaire economie veel gebruikte vergelijking, die voor een bepaalde periode het verband in een economie tussen de geldhoeveelheid en het handelsvolume uitdrukt.
M × V = P × T
(geldstroom) (goederenstroom)
M = Maatschappelijke geldhoeveelheid
V = Omloopsnelheid van het geld (aantal keren dat geld in een periode wordt uitgeven)
P = Gemiddeld prijsniveau (bepaald de inflatie)
T = Hoeveelheid goederen
W
- Waardevast pensioen
- Een waardevast pensioen is een pensioen dat wordt aangepast aan de prijsstijgingen waardoor de koopkracht van de pensioenuitkeringen gelijk blijft. De stijging van het prijsindexcijfer is het uitgangspunt van de aanpassing. Het prijsindexcijfer wordt door het CBS berekend.
- Welvaartseffect / weelde effect
- Het welvaartseffect is een theorie die suggereert dat mensen meer uitgeven naarmate de waarde van hun vermogen stijgt. Het idee is dat consumenten zich financieel zekerder en zelfverzekerder voelen wanneer hun huizen of beleggingen in waarde stijgen. Ze voelen zich rijker, zelfs als hun inkomen en vaste lasten hetzelfde zijn als voorheen.
- Welvaartsverdeling
- De welvaartsverdeling is een vergelijking van de rijkdom van verschillende leden of groepen binnen een samenleving. Het geeft inzicht in de economische ongelijkheid of economische heterogeniteit van een maatschappij.
Momenteel is in Nederland de welvaart ongelijker verdeeld dan inkomen, maar gelijker dan vermogen.
Y
- YCC-beleid (Yield Curve Control)
- YCC is een methode voor centrale banken om rentetarieven te controleren. Hierbij richt de centrale bank zich op obligaties met een bepaalde looptijd (bijvoorbeeld 10-jarige) en zal zoveel obligaties kopen als nodig is om het ingezette rentedoel te bereiken.
Een voorbeeld van een centrale bank die YCC toepast is de Bank of Japan. In 2016 kondigde de BOJ aan dat het zich zou richten op het rendement op 10-jarige Japanse staatsobligaties van ongeveer 0%, met het doel om de lange rente laag te houden.
Z
- Zero lower bound
- Met de ‘zero lower bound’ wordt bedoeld dat de nominale rente van de centrale bank op nul is beland en de rente niet verder onder de 0% kan dalen.